- bewegen
- {{bewegen}}{{/term}}I 〈overgankelijk werkwoord〉1 [in beweging brengen] move2 [met betrekking tot werktuigen] move ⇒ set/put in motion, run 〈motor, machine〉3 [ontroeren] move ⇒ stir 〈ook → {{link=bewogen}}bewogen{{/link}}〉4 [overhalen, aanzetten] move ⇒ induce/bring/get (someone to)♦voorbeelden:1 op en neer/heen en weer bewegen • move up and down/to and fro; 〈snel〉 bob; wag, waggle 〈lichaamsdeel〉2 de veer beweegt het uurwerk • the spring keeps the works in motion/running4 iemand tot iets bewegen • get someone to do somethingII 〈wederkerend werkwoord; zich bewegen〉1 [in beweging zijn/komen] move ⇒ stir2 [omgang hebben met] move (in) ⇒ travel (in)3 [met een bepaald onderwerp/terrein te maken hebben] be engaged (in), be active (in (the field of)) 〈met betrekking tot personen〉; be concerned (with) 〈met betrekking tot boek, film e.d.〉♦voorbeelden:1 ik kan me nauwelijks bewegen • I can hardly moveu beweegt u te weinig • you don't get enough exercise2 hij beweegt zich in de hoogste kringen • he moves in the highest circles3 zij bewegen zich op het gebied van de elektronica • they are active in the field of electronicsIII 〈onovergankelijk werkwoord〉1 [van plaats/stand veranderen] move ⇒ stir, 〈techniek, technologie ook〉 travel♦voorbeelden:1 geen blad bewoog • not a leaf stirredbewegende delen • moving partsniet bewegen! • don't move!in een baan rond de aarde bewegen • orbit the earth
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.